Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » De Torens van Middernacht
De Torens van Middernacht - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

De Torens van Middernacht

Электронная книга - «De Torens van Middernacht». Краткое содержание книги:

De Torens van Middernacht
1 ... 159 160 161 162 163 164 165 166 167 ... 256
Перейти на страницу:

Ze reden naar het paviljoen toe. Er was een stoel klaargezet op een laag platform aan het noordelijke uiteinde, met de rug naar de verre bossen met lederbladbomen. Morgase zat op die hoge stoel en was ten voeten uit een monarch, in een rood met goudkleurig gewaad dat Galad ergens voor haar moest hebben gevonden. Hoe had Faile die vrouw ooit kunnen aanzien voor een eenvoudige kamenierster? Er waren stoelen voor Morgase neergezet, de helft ervan bezet door Witmantels. Galad stond achter haar provisorische oordeelstroon. Elk haartje van hem zat op zijn plek, zijn uniform was onberispelijk, zijn mantel hing om zijn schouders. Faile keek opzij en zag dat Berelain blozend en met een bijna hongerige blik naar Galad staarde. Ze had haar pogingen om Perijn te overtuigen haar naar de Witmantels te laten gaan in de tussentijd niet opgegeven. ‘Galad Damodred,’ riep Perijn, die afsteeg voor het paviljoen. Faile gleed uit het zadel en liep met hem mee. ‘Ik wil dat je me iets belooft voordat dit begint.’

‘En wat mag dat dan wel zijn?’ riep de jonge commandant vanuit de open tent terug.

‘Zweer dat je dit niet in een veldslag laat uitmonden,’ zei Perijn. ‘Dat kan ik wel beloven,’ zei Galad, ‘maar dan moet jij mij natuurlijk beloven dat je niet vlucht als het oordeel ongunstig voor je uitvalt.’

Perijn zweeg. Toen legde hij zijn hand op zijn hamer. ‘Dat wil je dus niet beloven, zie ik,’ zei Galad. ‘Ik bied je deze kans omdat mijn moeder me heeft overgehaald om je jezelf te laten verdedigen. Maar ik sterf nog liever dan dat ik een man die Kinderen heeft vermoord zomaar laat weglopen. Als je niet wilt dat dit in een veldslag eindigt, Perijn Aybara, dan zou ik mijn verdediging maar met verve voeren. Of je straf aanvaarden.’

Faile keek naar haar man; hij fronste. Hij zag eruit alsof hij de gevraagde belofte wilde uitspreken. Ze legde haar hand op zijn arm. ‘Ik zou het moeten doen,’ zei hij zachtjes. ‘Niemand mag toch boven de wet staan, Faile? Ik heb die mannen in Andor gedood toen Morgase koningin was. Ik moet me naar haar oordeel schikken.’

‘En je plicht aan je leger dan?’ vroeg ze. ‘Je plicht aan Rhand, en aan de Laatste Slag?’ En aan mij, dacht ze erachteraan. Perijn aarzelde, maar toen knikte hij. ‘Je hebt gelijk.’ Op luidere toon zei hij: ‘Laten we dan maar beginnen.’

Perijn beende het paviljoen in, en onmiddellijk sloten Neald, Dannil en Gradi zich bij hem aan. Hun aanwezigheid gaf Perijn een laf gevoel; uit de houding van die vier sprak overduidelijk dat ze niet van zins waren Perijn in hechtenis te laten nemen. Wat was een rechtsgeding als Perijn zich niet zou houden aan het oordeel dat eruit voortkwam? Niets dan een schijnvertoning. De Witmantels keken gespannen toe, hun officiers staand in de schaduw van het paviljoen, het leger in de houding. Ze zagen eruit alsof ze niet de bedoeling hadden zich tijdens het gebeuren te ontspannen. Perijns eigen leger – groter, maar minder ordelijk – reageerde door tegenover de Witmantels in de houding te gaan staan. Perijn knikte, en Rowan Hurn liep weg om na te gaan of Galad de gevangenen had vrijgelaten. Perijn liep naar de voorzijde van het paviljoen en kwam vlak voor Morgases hoge zetel tot stilstand. Faile bleef bij hem. Er stonden stoelen voor hen klaar, en hij ging zitten. Enkele passen naar links was Morgases plek. Rechts van hem zaten de toeschouwers. Hij zat met zijn rug naar zijn leger toe. Faile – die behoedzaam rook – ging naast hem zitten. Anderen stroomden naar binnen. Berelain en Alliandre zaten vlakbij met hun wachters; de Aes Sedai en Wijzen hadden stoelen afgeslagen en stonden achterin. De laatste paar stoelen werden bezet door enkele mannen uit Tweewater en enkele hoger geplaatste voormalige vluchtelingen.

De Witmantelofficiers zaten tegenover hen, met hun gezicht naar Faile en Perijn toe. Bornhald en Byar zaten vooraan. Er stonden ongeveer dertig stoelen, waarschijnlijk uit de wagens van Perijn die de Witmantels zich hadden toegeëigend.

‘Perijn,’ begon Morgase. ‘Weet je zeker dat je dit wilt doorzetten?’

‘Ja,’ antwoordde hij.

‘Goed dan,’ zei ze onbewogen, hoewel ze een geur van aarzeling verspreidde. ‘Dan open ik deze zitting. De beschuldigde is Perijn Aybara, ook bekend als Perijn Guldenoog.’ Ze aarzelde. ‘Heer van Tweewater,’ voegde ze eraan toe. ‘Galad, lees de aanklacht voor.’

‘Het zijn er drie,’ zei Galad, die opstond. ‘De eerste twee zijn de ongerechtvaardigde moord op Kind Lathin en de ongerechtvaardigde moord op Kind Jamwijk. Aybara wordt er ook van beschuldigd een Duistervriend te zijn en Trolloks naar Tweewater te hebben geleid.’ De mannen uit Tweewater begonnen boos te mompelen bij die laatste beschuldiging. Die Trolloks hadden Perijns eigen familieleden ook vermoord.

Galad vervolgde: ‘De laatste aanklacht kan nog niet worden bewezen, aangezien mijn mannen uit Tweewater werden verdreven voordat ze bewijzen konden verzamelen. Wat de eerste twee aanklachten betreft, daarvoor heeft Aybara zijn schuld al toegegeven.’

‘Is dit waar, heer Aybara?’ vroeg Morgase.

‘Ik heb die mannen gedood, ja,’ zei Perijn. ‘Maar het was geen moord.’

‘Dan is dat wat dit hof zal vaststellen,’ besloot Morgase vormelijk. ‘En is dit het geschil.’

Morgase leek een heel andere persoon dan Maighdin. Was dit hoe mensen verwachtten dat Perijn zich zou gedragen als ze naar hem toe kwamen voor een oordeel? Hij moest toegeven dat ze het gebeuren wel een zekere mate van benodigde vormelijkheid verleende. De zitting vond immers plaats in een tent op een weiland, en de stoel van de rechter was verhoogd met wat leek op een stapeltje kisten met een kleed eroverheen.

‘Galad,’ zei Morgase. ‘Je mannen mogen hun kant van het verhaal vertellen.’

Galad knikte naar Byar. Hij stond op, en een andere Witmantel -een jongeman met een volledig kaal hoofd – stapte naar hem toe. Bornhald bleef zitten.

‘Edelachtbare,’ zei Byar, ‘het gebeurde ongeveer twee jaar geleden. In de lente. Een onnatuurlijk kille lente, herinner ik me. We waren op weg terug van belangrijke zaken op bevel van de Kapiteinheer-gebieder en reden door de wildernis van centraal Andor. We zouden die nacht doorbrengen in een verlaten Ogierstedding, aan de voet van wat ooit een reusachtig standbeeld was. Het soort plek waarvan je zou aannemen dat het er veilig is.’

Perijn herinnerde zich die avond. Er had een kille oostenwind gestaan, en zijn mantel had gewapperd terwijl hij bij een vijver met zoet water stond. Het was er stil geweest toen de zon onderging in liet westen. Hij had in het afnemende licht in die poel gestaard en gekeken naar de rimpelingen van de wind over het water, met de bijl in zijn hand.

Die verdomde bijl. Hij had hem toen meteen moeten weggooien. Elyas had Perijn overgehaald hem te houden.

‘Toen we aankwamen,’ vervolgde Byar, ‘zagen we dat de kampeerplek onlangs nog was gebruikt. Dat baarde ons zorgen, want maar weinig mensen wisten van het bestaan van de stedding. We leidden uit de enkele vuurkuil af dat er niet veel van die raadselachtige reizigers konden zijn.’

Zijn stem klonk afgemeten, zijn beschrijving zorgvuldig. Zo herinnerde Perijn zich die avond niet. Nee, hij herinnerde zich het gesis van de vlammen. Vonken die kwaad de lucht in vlogen toen Elyas de theepot leeggooide in de vuurkuil. Hij herinnerde zich een gehaaste boodschap van de wolven in zijn hoofd, die hem had verward. De behoedzaamheid van de wolven had het lastig gemaakt zichzelf van hen te onderscheiden. Hij herinnerde zich de geur van angst van Egwene, hoe ze had staan stuntelen toen ze Beia’s zadelriem aanspande. En hij herinnerde zich honderden mannen met een onaangename geur. Net als de Witmantels in het paviljoen. Ze roken naar zieke wolven die hapten naar alles wat te dichtbij kwam. ‘De kapitein was bezorgd,’ vervolgde Byar. Hij noemde de naam van de kapitein niet, misschien om Bornhald te sparen. De jonge Witmantelkapitein zat volkomen stil, starend naar Byar alsof hij niet naar Perijn durfde te kijken. ‘Hij dacht dat het kamp misschien door bandieten was gebruikt. Wie zou anders het vuur doven en verdwijnen zodra er iemand anders verscheen? Toen zagen we de eerste wolf.’

1 ... 159 160 161 162 163 164 165 166 167 ... 256
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)