Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Het Oog van de Wereld
Het Oog van de Wereld - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Het Oog van de Wereld

Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:

Het Oog van de Wereld
1 ... 140 141 142 143 144 145 146 147 148 ... 223
Перейти на страницу:

Een andere man, een wagensmid met een rond gezicht, met twee karrenwielen in zijn bak en gereedschap dat aan alle kanten van zijn wagen hing, vertelde een ander verhaal. Twintig Duistervrienden hadden een bijeenkomst gehouden in Sieranmarkt. Mannen met wanstaltige lijven en vrouwen die er nog vreemder uitzagen, allemaal in smerige vodden. Ze konden je knieën slap maken en je maag doen omkeren door alleen maar naar je te kijken en als ze lachten, hoorde je hun smerige gekakel een uur later nog in je oren en leek je hoofd in stukken te barsten. Hij had ze zelf gezien, van een afstand, ver genoeg om veilig te zijn. Als de koningin niets kon doen, dan zou iemand de Kinderen van het Licht om hulp moeten vragen. Iemand moest iets doen.

Ze waren opgelucht toen de wagensmid hen liet afstappen.

Met de zon laag achter hen liepen ze een klein dorpje binnen dat veel van Sieranmarkt weg had. De Caemlinweg verdeelde het plaatsje keurig in tweeën; aan beide kanten van de brede weg stonden kleine baksteenhuisjes met rietdaken. Wijnranken schoten langs de stenen omhoog, hoewel er maar een paar bladeren aan zaten. Het dorp had een herberg, een klein gebouw dat niet groter was dan De Wijnbron, met aan een hekwerk ervoor een uithangbord dat heen en weer knarste in de wind. De Koninginneknecht.

Vreemd om aan De Wijnbron te denken als een kleine herberg. Rhand wist nog dat hij ooit had gedacht dat het het grootste huis ter wereld was. Dat alleen paleizen groter waren. Maar hij had nu wat van de wereld gezien en opeens besefte hij dat er voor hem niets meer hetzelfde zou zijn als hij weer thuiskwam. Als je ooit thuiskomt.

Hij stond even voor de herberg te weifelen, maar zelfs als de prijzen in De Koninginneknecht niet zo hoog waren als in Sieranmarkt, dan konden ze nog geen maaltijd betalen en ook geen kamer.

Mart zag waar hij naar stond te kijken en klopte op de zak waarin hij Thoms kleurige ballen bewaarde, ik zie goed genoeg, zolang ik maar niet te moeilijke dingen probeer.’ Zijn ogen waren steeds beter geworden, hoewel hij de sjaal nog om zijn hoofd droeg en zijn ogen nog steeds half dichtkneep als hij overdag naar de lucht keek. Toen Rhand niets zei, ging Mart verder. ‘Er kunnen toch niet in alle herbergen tussen hier en Caemlin Duistervrienden zijn? Bovendien wil ik niet onder een struik slapen als ik een bed kan krijgen.’ Maar hij maakte geen aanstalten om naar de herberg toe te stappen. Hij bleef op Rhand wachten.

Na een ogenblik nadenken knikte Rhand. Hij had zich na Tweewater nog nooit zo moe gevoeld. Alleen al bij de gedachte aan een nacht buiten deden zijn botten pijn. Het stapelt zich allemaal op. Al dat vluchten, al dat hang rondkijken.

‘Ze kunnen niet overal zijn,’ beaamde hij.

Bij de eerste stap in de gelagkamer vroeg hij zich af of ze een fout hadden gemaakt. Het was er schoon, maar overvol. Iedere tafel was bezet, en sommige mannen leunden tegen de muren, omdat er geen zitplaatsen meer vrij waren. Aan de manier waarop de dienstmeiden zich gejaagd tussen de tafels voortrepten, kon hij merken dat het drukker was dan anders. Te druk voor zo’n klein plaatsje. De mensen die hier niet thuishoorden, waren er gemakkelijk uit te halen. Ze waren niet anders gekleed dan de rest, maar ze hielden hun aandacht bij hun eten en drank. De dorpelingen keken even vaak naar de vreemden als naar andere dingen.

Het geroezemoes van de gesprekken was zo luid dat de herbergier hen meenam naar de keuken toen Rhand duidelijk maakte dat ze hem wilden spreken. Het lawaai was hier bijna even erg, omdat de kok en zijn helpers met pannen smeten en druk aan het werk waren. De herbergier depte zijn gezicht af met een grote zakdoek. ‘Ik neem aan dat jullie onderweg zijn naar Caemlin, om de valse Draak te zien, net als iedere andere dwaas in het rijk. Nou, er slapen er zes in een kamer en twee of drie delen een bed en als jullie dat niet schikt, heb ik niets.’

Rhand deed zijn verhaal en voelde zich beroerd. Met zoveel mensen op de weg kon iedereen een Duistervriend zijn en hij zag geen kans om ze er tussen al die vreemdelingen uit te pikken. Mart liet zijn spel met de ballen zien – hij hield het op drie en was zelfs met die drie heel voorzichtig – en Rhand pakte Thoms fluit. Al na een tiental noten van Die oude. zwarte beer knikte de herbergier ongeduldig.

‘Ik vind het best. Ik heb iets nodig om die idioten aan iets anders te laten denken dan aan die Logain. Er zijn hier al drie gevechten uitgebroken over de vraag of hij wel of niet de Draak is. Leg je spullen daar in de hoek, dan zal ik wat ruimte voor jullie maken. Als er tenminste nog ruimte te maken is. Dwazen. De wereld is vol dwazen die te weinig hersens hebben om te weten waar ze thuishoren. Daardoor komt al die ellende. Mensen die niet blijven waar ze horen.’ Hij veegde zijn gezicht weer af en haastte zich de keuken uit, binnensmonds mompelend.

De kok en zijn knechten negeerden Rhand en Mart. Mart bleef de sjaal om zijn hoofd maar verschuiven, duwde hem omhoog, knipperde dan regen het licht en rrok hem weer omlaag. Rhand vroeg zich af of hij genoeg kon zien om iets moeilijkers te doen dan met drie ballen jongleren. En hijzelf...

Zijn misselijkheid nam toe. Hij liet zich op een lage kruk vallen en hield zijn hoofd in zijn handen. De keuken voelde koud. Hij rilde.

Damp vulde de keuken; oliebranders en ovens tinkelden van de hitte. Zijn rillingen werden heviger, hij zat te klappertanden. Hij sloeg zijn armen om zich heen, maar het hielp niets. Zijn botten voelden aan of ze bevroren.

Vaag was hij zich ervan bewust dat Mart hem iets vroeg en aan zijn schouder stond te schudden, en dat iemand vloekend de keuken uit rende. Toen stond de herbergier bij hem, met de kok fronsend naast zich, en was Mart luidkeels iets aan het betogen. Hij begreep niets van wat ze zeiden; de woorden zoemden in zijn hoofd en hij leek helemaal niet te kunnen denken.

Opeens nam Mart hem bij zijn arm en trok hem overeind. Al hun spullen – zadeltassen, dekenrollen, ‘Thoms opgerolde mantel en instrumentkistjes- hingen met zijn boog aan Marts schouders. De herbergier stond naar hen te kijken en veegde bezorgd zijn gezicht af.

Wankelend, voornamelijk ondersteund door Mart, liet Rhand zich naar de achterdeur leiden.

‘S-s-spijt m-m-me Mart,’ bracht hij uit. Hij kon zijn tanden maar niet stilhouden. ‘M-m-moet d-d-de regen z-z-zijn. N-nog een a-nachtje b-b-buiten... n-niet zo erg.’ De invallende duisternis buiten liet al een handvol sterren zien.

‘Niets daarvan,’ zei Mart. Hij probeerde het opgewekt te laten klinken, maar Rhand hoorde de verborgen bezorgdheid. ‘Hij was bang dat de andere mensen zouden horen dat er iemand in zijn herberg ziek was geworden. Ik heb hem gezegd dat ik met jou de gelagkamer zou binnenlopen, als hij ons zijn herberg uitschopte. Dan is die binnen de kortste keren leeg. Ondanks al zijn geklets over dwazen, wil hij dat ook niet.’

‘W-waar d-d-dan?’

‘Hier,’ zei Mart, en hij trok de staldeur open met een luid gepiep van scharnieren.

Het was binnen donkerder dan buiten en de lucht rook naar hooi, graan en paarden, met in alles de scherpe lucht van mest. Toen Mart hem op de grond lier zakken, zakte hij voorover, nog steeds met zijn beide armen om zich heen, rillend van top tot teen. Hij leek alleen nog maar kracht te hebben om te rillen. Hij hoorde Mart struikelen, vloeken, weer struikelen, en toen gekletter van metaal. Opeens ging er een licht aan. Mart stak een gedeukte oude lantaarn omhoog. Net als de gelagkamer was de stal vol. In ieder hok stond een paard; sommige hieven hun hoofd op en knipperden met hun ogen in het licht. Mart bekeek de ladder naar de hooizolder, keek toen naar Rhand die gebogen op de vloer zat en schudde zijn hoofd.

‘Krijg je nooit naar boven,’ mompelde Mart. Hij hing de lantaarn aan een nagel, klom de ladder op en begon armen hooi naar beneden te gooien. Hij klom vlug weer omlaag, maakte een slaapplaats achter in de stal en zorgde ervoor dat Rhand erop ging liggen. Mart dekte hem met hun mantels toe, maar Rhand schoof ze haast meteen weer van zich af.

1 ... 140 141 142 143 144 145 146 147 148 ... 223
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)