De Torens van Middernacht
- Автор: Джордан Роберт, Сандерсон Брендон
- Серия: Het Rad des Tijds #13
- Год: 2011
- Язык: голландский
- Переводчик: Lia Belt
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «De Torens van Middernacht». Краткое содержание книги:
Binnen enkele tellen naderden ze een uitgestrekte hoogvlakte. Zijn prooi rende recht tegen de zijkant van de rotsen op. Jonge Stier volgde en negeerde dat wat eigenlijk ‘niet kon’. Hij rende met de grond ver beneden hem, achter zijn rug, en met zijn neus naar die kolkende zee van zwarte wolken gericht. Hij sprong over scheuren in de rotsen, stuiterde tussen twee kanten van een kloof omhoog en bereikte de hoogvlakte.
Springer viel aan. Jonge Stier was er klaar voor. Hij rolde om, belandde op vier poten toen zijn prooi over zijn kop sprong en over de rand van het klif viel, maar toen in een flits verdween en weer op de rand van het klif stond.
Jonge Stier werd Perijn, met in zijn hand een hamer van zacht hout. Dergelijke dingen waren mogelijk in de wolfsdroom; als de hamer doel trof, zou hij geen schade aanrichten.
Perijn maakte een zwaai, en de lucht knetterde door de plotselinge snelheid van zijn beweging. Maar Springer was even snel en dook uit de weg. Hij rolde om en sprong met glinsterende hoektanden op Perijns rug. Perijn gromde en verplaatste zich, zodat hij een klein stukje bij zijn eerdere plek vandaan belandde. Springers kaken klapten dicht met niets dan lucht ertussen, en Perijn haalde zijn hamer weer uit.
Springer hulde zich onverwachts in dichte mist. Perijns hamer sloeg erdoorheen en raakte de grond. De hamer stuiterde omhoog. Perijn vloekte en draaide zich om. In de nevel kon hij niets zien, kon hij Springers geur niet opvangen.
Een schaduw bewoog in de mist en Perijn sprong, maar het was maar een speling van de nevel. Hij draaide terug en zag overal om zich heen schaduwen bewegen. De vormen van wolven, mensen en andere schepsels die hij niet goed kon zien.
Maak de wereld de jouwe, Jonge Stier, zei Springer in zijn gedachten.
Perijn concentreerde zich en dacht aan droge lucht. Aan de bedompte geur van stof. Zo zou de lucht moeten ruiken in een droog landschap zoals dit.
Nee. Zo zou de lucht niet móéten ruiken, zo róók de lucht! Zijn geest, zijn wil, zijn gevoelens botsten tegen iets anders aan. Hij duwde door.
De mist verdween en verdampte in de warmte. Springer zat een klein stukje verderop. Goed zo, zei de wolf. Je leert het al. Hij keek opzij, naar het noorden, en leek ergens door afgeleid. Toen was hij weg. Perijn ving zijn geur op en volgde hem naar de Jehannaweg. Springer draafde langs de buitenkant van de vreemde, violetkleurige koepel. Ze sprongen regelmatig naar deze plek terug om te kijken of de koepel ooit verdween. Tot nu toe was dat nog niet gebeurd. Perijn zette de achtervolging voort. Was de koepel bedoeld om er wolven in te vangen? Maar als dat zo was, waarom had Slachter zijn valstrik dan niet op de Drakenberg gezet, waar zich om de een of andere reden zoveel wolven hadden verzameld? Misschien had de koepel een ander doel. Perijn prentte zich een paar opmerkelijke rotsformaties langs de rand van de koepel in en volgde Springer toen naar een lage rotsplaat. De wolf sprong eraf, verdween in de lucht, en Perijn volgde.
Hij ving halverwege zijn sprong de geur van Springers bestemming op en bracht zichzelf daar nog tijdens de beweging naartoe. Hij verscheen ongeveer twee voet boven een glinsterende blauwe vlakte. Verbaasd viel hij met een plons in het water.
Hij begon snel te zwemmen en liet zijn hamer los. Springer stond op het water, met een wolfachtige uitdrukking van afkeuring op zijn snoet. Niet goed, zei de wolf. Je moet nog steeds leren. Perijn sputterde.
De zee werd onstuimiger, maar Springer zat rustig op de rollende golven. Weer keek hij even naar het noorden, en toen draaide hij zich om naar Perijn. Water maakt je ongerust, Jonge Stier. ‘Ik was alleen maar verbaasd,’ zei Perijn, druk zwemmend. Waarom?
‘Omdat ik dit niet had verwacht!’
Waarom zou je iets verwachten? zei Springer. Als je een ander volgt, kun je overal terechtkomen.
‘Weet ik.’ Perijn spuugde een mondvol water uit. Hij klemde zijn kaken op elkaar en beeldde zich in dat hij op het water stond, zoals Springer. Gelukkig kwam hij uit de zee omhoog en bleef op het oppervlak staan. Het was een merkwaardig gevoel, die deinende golven onder zijn voeten.
Zo zul je Slachter niet verslaan, berispte Springer hem.
‘Dan blijf ik leren,’ zei Perijn.
Er is weinig tijd.
‘Dan leer ik sneller.’
Kun je dat?
‘We hebben geen keus.’
Je zou kunnen besluiten niet tegen hem te vechten. Perijn schudde zijn hoofd. ‘Vluchten we voor onze prooi? Als we dat doen, dan jagen zij op ons. Ik zal tegen hem strijden, en ik moet voorbereid zijn.’
Er is een manier. De wolf rook ongerust. ‘Ik zal doen wat nodig is.’
Volg. Springer verdween, en Perijn ving een onverwachte geur op: afval en modder, brandend hout en kolen. Mensen. Perijn verplaatste zich en verscheen boven op een gebouw in Caemlin. Hij had deze stad maar eenmaal kort bezocht, en toen hij de mooie Binnenstad voor zich zag – oude gebouwen, koepels en spitsen die uit de heuvel oprezen als hoge dennen op een bergtop – zette die hem aan het denken. Hij was in de buurt van de oude muur, waarachter de Nieuwe Stad zich uitspreidde.
Springer zat naast hem, uitkijkend over de mooie stad. Veel van de stad zelf, werd gezegd, was door Ogier gebouwd. Perijn kon dat wel geloven, met zoveel schoonheid. En Tar Valon moest nog grootser zijn dan Caemlin. Hij had moeite te geloven dat zoiets mogelijk was. ‘Wat doen we hier?’ vroeg Perijn. Mensen dromen hier, antwoordde Springer.
In de echte wereld, ja. Hier was het verlaten. Het was licht als bij dag, ondanks de stormwolken aan de hemel, en Perijn had het gevoel dat de straten vol mensen zouden moeten zijn. Vrouwen die van en naar de markt liepen. Edelen op paarden. Wagens met vaten bier en zakken graan. Kinderen die rondscharrelden, zakkenrollers op zoek naar slachtoffers, arbeiders die keien vervingen, ondernemende venters die voorbijgangers pasteien aanboden. In plaats daarvan waren er alleen sporen. Schaduwen. Een verloren zakdoek op straat. Deuren die het ene ogenblik open stonden en het volgende gesloten waren. Een afgevallen hoefijzer in de modder in een steeg. Het leek wel alsof alle mensen waren weggevoerd, gegrepen door Schimmen of een of ander monster uit het duistere verhaal van een speelman.
Even verscheen er beneden een vrouw. Ze droeg een prachtig groen met gouden gewaad. Ze staarde met glazige ogen naar de straat en was weer verdwenen. Af en toe doken er mensen op in de wolfsdroom. Perijn dacht dat dat gebeurde als ze sliepen, dat ze hier kwamen als deel van hun gewone dromen.
Deze plek, zei Springer, is niet alleen een plek van wolven. Het is een plek van iedereen.
‘Van iedereen?’ vroeg Perijn terwijl hij op de dakpannen ging zitten. Alle zielen kennen deze plek, zei Springer. Ze komen hier als ze ernaar reiken. ‘Als ze dromen.’
Ja, zei Springer, die naast hem ging liggen. De angstdromen van mensen zijn sterk. Heel erg sterk. Soms komen die verschrikkelijke dromen hierheen. De gedachte had de vorm van een reusachtige wolf, zo groot als een gebouw, die veel kleinere wolven die naar hem hapten opzij duwde. Er hing een geur van doodsangst en sterven om de wolf heen. Als... een nachtmerrie. Perijn knikte langzaam.
Vele wolven zijn verstrikt geraakt in de pijn van die angstdromen. Ze verschijnen vaker waar mensen rondlopen, hoewel de droom doorleeft zonder degene die hem heeft gemaakt. Springer keek Perijn aan. Jagen in de angstdromen zal je sterk maken. Maar je kunt ook sterven. Het is heel gevaarlijk. ‘Ik heb geen tijd meer voor voorzichtigheid,’ zei Perijn. ‘We doen het.’
Springer vroeg niet of hij het zeker wist. Hij sprong omlaag naar de straat, en Perijn volgde, waarbij hij zachtjes landde. Springer draafde verder, dus rende Perijn mee. ‘Hoe vinden we zo’n droom?’ vroeg Perijn. Ruik angst, zei Springer. Doodsangst.