De Cock en de dood van een clown
- Автор: Баантье Альберт Корнелис
- Серия: Inspector De Cock #22
- Год: 2003
- Язык: голландский
- Год: De Fontein
- ISBN: 978-90-261-0179-1
- Жанр: Полицейские детективы
Электронная книга - «De Cock en de dood van een clown». Краткое содержание книги:
‘Die hulpeloosheid zou wel eens een pose kunnen zijn… een misleiding. Misschien is Vlindertje in werkelijkheid niet zo broos als zij zich voordoet. De showbizz is keihard.’ ‘Je bedoelt dat Vlindertje allang ten onder was gegaan als ze niet sterk was?’
‘Precies.’
Vledder trok zijn wenkbrauwen samen.
‘Zou ze dan toch iets met die juwelendiefstallen te maken hebben?’
In gedachten ging De Cock het gesprek nog eens na en bracht haar expressies weer voor zijn geest. ‘Het lijkt mij toch wel zinvol,’ sprak hij na enige tijd nadenkend, ‘om wat informaties over haar in te winnen.’ Hij blikte opzij. ‘Heb je haar werkelijke naam?’
Vledder greep in zijn binnenzak naar zijn notitieboekje. ‘Martha,’ zei hij na enig bladeren, ‘Martha Verhagen.’
De Cock wuifde voor zich uit.
‘Ga eens na of ze getrouwd is… of is geweest. Losse of minder losse verhoudingen met mannen… of vrouwen. Wat voor opleiding ze heeft gehad. Dat soort dingen.’
Vledder knikte begrijpend.
‘En wat doen we met het faillissement?’
‘De verduistering door Pierrot?’
‘Inderdaad. Vind je het geen opmerkelijk facet?’
De Cock stak zijn kin iets vooruit. Zijn gezicht stond grimmig. ‘Alle leden van het variétégroepje werden er ernstig door gedupeerd… allemaal hadden ze dus een motief.’ Hij draaide zich half naar Vledder. ‘Hoe zei Vlindertje het ook weer? Artiesten zijn vaak opgewonden standjes.’ Hij zuchtte. ‘Je zou je er feitelijk over moeten verbazen, dat de clown nog zo lang in leven bleef.’
Ze stapten het politiebureau aan de Warmoesstraat binnen en liepen langs de balie. Jan Kusters, opkijkend van zijn dienstboek, riep hen terug. Hij stak zijn wijsvinger omhoog. ‘Boven zit een man al meer dan een uur op jullie te wachten.’ De Cock keek op de grote klok in de hal. Het was kwart over zes. ‘Vledder en ik,’ sprak hij wat geprikkeld, ‘zijn al de hele dag in touw. We willen eerst wel eens een stukje eten.’ Jan Kusters wuifde afwerend.
‘Dat kun je niet doen. Sta eerst even die man te woord.’ De Cock wreef in zijn ooghoeken. Het was een vermoeid gebaar. ‘Wie is hij dan?’
‘Een vriend.’
‘Van wie?’
‘Pieter Eickelenbosch.’
Met zijn gezicht in een grijns van droefenis hees De Cock zich langs de trap omhoog. Vledder volgde.
Op de bank in de gang op de tweede etage, zat een wat kleurloze man in een slobberig grijs kostuum. Toen de oude rechercheur naderde, kwam hij vermoeid overeind.
‘U bent rechercheur De Cock?’
De Cock knikte.
‘Met ceeooceekaa.’
Om de mond van de man gleed een flauwe glimlach. ‘Ze zeiden, dat u dat zeggen zou.’
Zonder antwoord leidde De Cock de man de recherchekamer binnen en liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. ‘U bent een vriend van Pierrot?’ opende hij bits.
De man schudde zijn hoofd.
‘Ik ben een vriend van Pieter Eickelenbosch.’ Hij sprak de naam nadrukkelijk uit.
De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Maakt dat een verschil?’
De man knikte overtuigend.
‘Pierrot… Pierrot was niets. Pierrot was een masker, waarachter Pieter zijn eigen wezen verborg. In feite haatte hij Pierrot. Maar het was voor Pieter het enige middel om onzichtbaar op het toneel te staan.’
‘Onzichtbaar?’
De man hield zijn hoofd iets schuin en keek De Cock onderzoekend aan. ‘Ze zeggen dat u een rechercheur bent, die iets van de mensen begrijpt.’ Hij zweeg even. ‘Dan zult u ook dit begrijpen.’
De Cock knikte. Zijn blik gleed over het met rimpels doorploegd gelaat van de man voor hem. Plotseling, onverklaarbaar, doorstroomden hem gevoelens van sympathie. Het gaf zijn gezicht een vriendelijker aanblik.
‘Wie bent u?’
‘Dat zei ik toch… een vriend.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Hoe is uw naam.’
‘Henri Jonkers. Ik woon in de Jordaan. Madelievenstraat 317.’ ‘Hoe lang kent u Pieter?’
‘Een eeuwigheid. Ik heb hem als het ware geboren zien worden. Ik kwam al bij zijn ouders aan huis.’
‘U was vertrouwelijk met hem?’
‘Zeker. Ik bezocht hem vaak in zijn woonboot en dan sprak hij over zijn moeilijkheden.’
‘Die had hij?’
Henri Jonkers liet zijn hoofd wat zakken.
‘Pieter had een zwak.’
‘Voor vrouwen?’
‘Nee… niet voor vrouwen. Vrouwen drongen zich wel aan hem op. En dat begrijp ik wel. Ze wilden weten wat voor een vent er in die clown stak. Maar het initiatief ging vrijwel nooit van hem uit.’ ‘Wat was dan zijn zwak?’
‘Speelzucht.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Speelzucht… had hij daarom gelden verduisterd?’
Henri Jonkers zuchtte diep.
‘Pieter hoopte steeds dat het geluk hem eens zou toelachen en dat hij met speelwinsten zijn kastekorten zou kunnen aanvullen. Dat bracht hem ertoe om voortdurend va banque te spelen.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Va banque… alles of niets. En het werd niets.’
Henri Jonkers keek op.
‘Daarom kom ik zijn moordenaar aangeven.’
De Cock staarde hem ongelovig aan.
‘Zijn moordenaar?’
Henri Jonkers blikte onbewogen terug.
‘Freekie van Wezel.’
9
De Cock kwam vrolijk en vals fluitend de recherchekamer binnen. Na het gesprek met Henri Jonkers, had hij de avond tevoren het onderzoek voor die dag afgesloten. Hij was het zat. Thuis had hij een fles zalige bourgogne ontkurkt en die samen met zijn vrouw intens genietend leeggedronken. Daarna was hij vroeg naar bed gegaan. Een lange, diepe nachtrust had zijn geest verkwikt. Met een nonchalant gebaar wierp hij een plastic zakje met twee boterhammen en een appeltje in de lade van zijn bureau en keek naar Vledder, die ijverig op de toetsen van zijn schrijfmachine beukte. ‘Wat ben je aan het doen?’
De jonge rechercheur liet zijn vingers even rusten.
‘Ik ben vanmorgen begonnen om alles eens op een rijtje te zetten. Ik ben anders bang dat we er nooit meer uitkomen. Ongelooflijk. Er is nog geen touw aan vast te knopen.’
Hij keek met een droevige grijns naar zijn oudere collega op. ‘Commissaris Buitendam heeft al naar je gevraagd.’ ‘Wat wil hij?’
Vledder trok zijn schouders op.
‘Hij is tegen mij altijd erg zwijgzaam. Hij zei alleen: “Laat De Cock even bij mij komen.”’
Het gezicht van de oude rechercheur verstarde.
‘Hij moet maar wachten.’ Het klonk narrig. Hij schoof de lade van zijn bureau dicht, rekte zich eens uit en begon door de recherchekamer te stappen. Wanneer hij een moeilijke zaak onder handen had, was het zijn gewoonte om de dag daarmee te beginnen. In de slome cadans van zijn tred, lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen. De laatste ontwikkelingen in zijn onderzoek naar de dood van de clown hadden hem verrast. Het was een wending die hem niet beviel. Het bracht hem in een wereldje waa rin hij zich niet thuis voelde. Plotseling bleef hij voor het bureau van Vledder staan. ‘Een rat,’ riep hij hartgrondig. Het klonk als het resultaat van een analyse.
Vledder keek verwonderd naar hem op. De toon trof hem. ‘Wie?’
‘Freekie van Wezel.’
‘Ken je hem?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
‘Hij scharrelt al zo’n jaar of twintig bij ons in de rosse buurt rond. Vroeger noemden ze hem “Azen Freekie”. Hij bedroog op straat en in cafés de mensen met het spelletje Een, twee, drie klaveraas, waarbij men uit drie gedekte speelkaarten moest raden waar het klaveraas lag.’
Vledder lachte.
‘Ze raadden altijd verkeerd?’
De Cock schudde zijn hoofd.