Het Oog van de Wereld
- Автор: Джордан Роберт
- Серия: Het Rad des Tijds #1
- Год: 2009
- Язык: голландский
- Переводчик: Jo Thomas
- Жанр: Фэнтези
Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:
Hoe lang blijft het hier nog vol, denkt u, als we omvallen van de honger?’
Haaks ogen schoten door het vertrek, dat vol zat met mannen die zijn zakken met geld vulden. Hij draaide zich om en stak zijn hoofd rond de deur achter in de gelagkamer. ‘Geef ze eten!’ schreeuwde hij. Hij ging weer voor Rhand en Mart staan en snauwde: ‘En blijf niet de hele avond weg. Ik reken erop dat jullie optreden tot de laatste klant vertrokken is.’
Enkele drinkers schreeuwden om de muzikant en de jongleur. Haak draaide zich om en kalmeerde hen. De man in de fluwelen jas was een van de bezorgde klanten. Rhand gebaarde Mart mee te lopen. Een stevige deur scheidde de gelagkamer van de keukeu, waar het geroffel van de regen op het dak luider klonk dan het geschreeuw in de gelagkamer. Het was een grote ruimte, heet en dampig door vuur en ovens, met een enorme tafel vol voedsel en schalen die naar binnen gebracht konden worden. Enkele dienstmeiden zaten bij elkaar op een bank bij de achterdeur. Ze wreven hun voeten en praatten met de dikke kokkin, die terwijl ze sprak met een grote houten lepel zwaaide om haar uitspraken kracht bij te zetten. Ze keken allemaal op toen Rhand en Mart binnenkwamen, maar het gesprek werd er niet door onderbroken en ze bleven hun voeten wrijven.
‘We zouden ervandoor moeten gaan zolang we de kans hebben,’ zei Rhand zachtjes, maar Mart schudde zijn hoofd en keek strak naar de twee borden die de kokkin volschepte met rundvlees, aardappelen en erwten. Ze keek amper naar het tweetal en bleef met de andere vrouwen praten terwijl ze met haar elleboog dingen op de tafel opzij schoof, de borden neerzette en er vorken bij legde.
‘Na het eten is er tijd genoeg.’ Mart liet zich op een bank glijden en begon zijn vork te gebruiken alsof het een schop was.
Rhand zuchtte, maar volgde Marts voorbeeld. Sinds de vorige avond had hij alleen een stuk brood gegeten. Zijn maag voelde even leeg als de beurs van een bedelaar en de kookluchtjes in de keuken hielpen daar bepaald niet tegen. Ook hij begon te schransen, hoewel Mart zijn bord al voor de tweede keer liet volscheppen voor hij het halfleeg had.
Hij had het gesprek van de vrouwen niet willen afluisteren, maar enkele woorden trokken zijn aandacht.
‘Klinkt waanzinnig.’
‘Waanzinnig of niet, dat heb ik gehoord. Hij heeft de helft van de herbergen bezocht voor hij hier binnenkwam. Liep telkens naar binnen, keek rond en ging zonder iets te zeggen naar buiten, zelfs bij de Koninklijke Herberg. Alsof het helemaal niet regende.’
‘Misschien vond hij het hier het gezelligst.’ Die opmerking veroorzaakte een golf lachbuien.
‘Ik heb gehoord dat hij pas in Vierkoningen aankwam toen het donker was en dat zijn paarden snoven, alsof ze hard waren opgejaagd.’
‘Waar zou hij vandaan komen? Alleen een dwaas of een gek reist ’s nachts.’
‘Tja, misschien is hij een dwaas, maar dan wel een rijke. Ik hoor dat hij zelfs een tweede rijtuig heeft voor zijn bedienden en tassen. Daar zit geld, let op mijn woorden. Heb je die mantel van hem gezien? Die zou ik ook wel willen hebben.’
‘Hij is wat te dik naar mijn smaak, maar ik zeg ook dat een man nooit te dik kan zijn als er genoeg goud aan zit.’ Ze lagen dubbel van het lachen en de kokkin wierp haar hoofd in de nek en bulderde mee.
Rhand liet zijn vork op het bord vallen. Een idee waar hij liever niet aan wilde denken, kwam in hem op. ‘Ik ben zo terug,’ zei hij. Mart knikte amper en stopte een stuk aardappel in zijn mond.
Rhand stond op, pakte zijn mantel en zwaardriem en gespte die om terwijl hij naar de achterdeur liep. Niemand lette op hem.
De regen kwam met bakken omlaag. Hij trok zijn mantel om zijn schouders, zette de kap op en hield de mantel dicht terwijl hij over het erf rende. Een gordijn van water verborg alles, behalve wanneer de bliksem flitste, maar hij vond wat hij zocht. De paarden stonden in de stal, maar de twee zwartgelakte rijtuigen glommen nat. Donder rommelde en een bliksemschicht flitste boven de herberg. In de korte stoot licht kon hij op een portier in gouden letters een naam onderscheiden: Howal Gode.
Hij lette niet op de neervallende regen en staarde naar de naam, die hij niet meer kon zien. Hij herinnerde zich waar hij voor het laatst zwartgelakte koetsen had gezien met de naam van de eigenaar op het portier, en welgedane, overvoede mannen in fluweelmantels met voeringen van zijde en fluwelen schoenen. Wittebrug. Een koopman uit Wittebrug kon een volmaakt geldige reden hebben om naar Caemlin te reizen. Een reden die hem de helft van de herbergen in de stad doet bekijken voor hij net die ene kiest waarin jij je bevindt? Een reden die hem naar je doet kijken alsof hij gevonden heeft wat hij zocht?
Rhand huiverde en opeens voelde hij de regen in zijn nek lopen. Zijn mantel was dicht geweven maar was niet voor zulk noodweer bedoeld. Hij haastte zich terug naar de herberg en spatte door de steeds diepere plassen. Jak blokkeerde de deur toen hij erdoor wilde.
‘Wel, wel. Alleen buiten in het donker? Het donker is gevaarlijk, jongen’
De regen plakte zijn haren tegen zijn voorhoofd. Het erf was verlaten, op hen tweeën na. Hij vroeg zich af of Haak had besloten dat hij het zwaard en de fluit zo graag wilde hebben dat de mensen in de gelagkamer hem niets meer konden schelen.
Terwijl hij met één hand het water uit zijn ogen wreef, legde hij de andere op zijn zwaard. Zelfs nu zorgde het goed onderhouden leer ervoor dat hij een vaste greep had. ‘Heeft Haak besloten dat al die mensen binnen alleen voor zijn bier blijven en nergens anders hun vermaak zullen halen? Zo ja, dan zien we ons eten maar als betaling voor wat we gespeeld hebben en vertrekken we.’
De man stond droog in de deuropening en keek snuivend de regen in. ‘In dit weer?’ Zijn ogen gingen naar Rhands hand op zijn zwaard. ‘Weet je, ik en Strom hebben gewed. Hij denkt dat je dat van je ouwe oma hebt gestolen. En ik denk dat je oma je de varkensstal in zou schoppen en je dan te drogen zou hangen.’ Hij grijnsde. Zijn gele tanden stonden scheef en de grijns maakte hem nog gemener. ‘De nacht is nog lang, jongen.’
Rhand schoof langs hem heen en Jak liet hem met een naar gehinnik gaan.
Binnen gooide hij zijn mantel af en viel neer op de bank bij de tafel waaraan hij had gegeten. Mart had zijn tweede bord leeg en werkte nu het derde naar binnen, maar langzamer, aandachtiger, alsof hij van plan was elke kruimel naar binnen te werken, al zou hij erin blijven. Jak posteerde zich bij de deur naar het erf, leunde tegen de muur en keek naar hen. De kokkin leek weinig geneigd een praatje met hem te maken.
‘Komt van Wittebrug,’ zei Rhand. Hij hoefde niet te zeggen wie.
Mart keek hem snel aan, een stuk vlees aan zijn vork bleef halverwege zijn mond zweven. Rhand besefte dat Jak keek en speelde wat met het eten op zijn bord. Hij kon geen hap meer door zijn keel krijgen, zelfs niet als hij zou sterven van de honger, maar hij deed net of hij zin had in de erwten, terwijl hij Mart vertelde over het rijtuig en wat de vrouwen hadden gezegd voor het geval Mart niet had meegeluisterd.
Het was duidelijk dat hij dat niet had gedaan. Hij luisterde verbaasd met grote ogen en floot, keek toen fronsend naar het vlees aan zijn vork en gromde toen hij de vork op zijn bord liet vallen. Rhand wilde dat hij in ieder geval eens zou proberen zich wat behoedzamer te gedragen.
‘Achter ons aan,’ zei Mart toen hij klaar was. De rimpels in zijn voorhoofd werden dieper. ‘Een Duistervriend?’
‘Misschien, ik weet het niet.’ Rhand wierp een blik op Jak, waarna de grote man zich uitvoerig uitrekte en zijn schouders bewoog, die zo dik waren als die van een hoefsmid. ‘Denk je dat we langs hem heen kunnen komen?’
‘Niet zonder dat hij zoveel herrie schopt dat Haak en die andere hierheen komen. Ik wist dat we hier niet hadden moeten blijven.’
Rhand keek hem met open mond aan, maar voor hij iets kon zeggen, wrong Haak zich door de tussendeur van de gelagkamer. Strom torende boven hem uit. Jak ging voor de achterdeur staan. ‘Blijven jullie hier de hele nacht eten?’ blafte Haak. ‘Ik heb jullie geen eten gegeven zodat jullie hier kunnen blijven rondhangen.’