Бесплатная библиотека
Читайте книгу на сайте или телефоне
READ-E-BOOK » Фэнтези » Het Oog van de Wereld
Het Oog van de Wereld - Читать Любимую Русскую Полную Книгу 👉 Read-E-Book.com

Het Oog van de Wereld

Электронная книга - «Het Oog van de Wereld». Краткое содержание книги:

Het Oog van de Wereld
1 ... 116 117 118 119 120 121 122 123 124 ... 223
Перейти на страницу:

Nynaeve dwong zich hen te volgen, maar bij de eerste pas verwachtte ze al half dat het hele bouwsel onder hen in scherven zou vallen. Als kant van glas was gemaakt, zou het er zo uitzien.

Pas toen ze bijna de hele brug over waren, viel haar een branderige geur in de lucht op. Even later zag ze het. Rond het plein aan het begin van de Witte Brug was een handvol gebouwen veranderd in een massa zwartgeblakerde balken waaruit nog rookpluimen omhoog kringelden. Mannen in slecht passende rode uniformen en roestige wapenrustingen hielden de wacht in de straten, maar ze liepen snel, alsof ze bang waren echt iets te zien, en keken voortdurend om. Stadsmensen, de weinigen die buiten waren, renden voorovergebogen rond alsof ze door iets werden achtervolgd.

Lan keek zelfs voor zijn doen grimmig en mensen liepen met een wijde boog om hen drieën heen, ook de soldaten. De zwaardhand snoof de lucht op en grimaste, terwijl hij binnensmonds bromde. Het verbaasde Nynaeve niet, met die sterke stank van verbranding.

‘Het Rad weeft zoals het Rad wil,’ mompelde Moiraine. ‘Geen oog kan het Patroon zien tot het is geweven.’

Het volgende moment was ze van Aldieb gegleden en stond ze te praten met de stadsmensen. Ze stelde geen vragen, maar toonde haar medelijden en tot Nynaeves verbazing leek dat oprecht. Mensen die schuw van Lan wegliepen, klaar om zich van elke vreemdeling weg te haasten, bleven staan om met Moiraine te praten. Ze leken er zelf van te schrikken, maar na een tijdje kwamen ze los, door Moiraines heldere blik en sussende stem. De ogen van de Aes Sedai leken de pijn van de mensen te delen, mee te voelen met hun verwarring, en de tongen raakten los.

Toch logen de meesten. Sommigen ontkenden dat er moeilijkheden waren geweest. Helemaal geen moeilijkheden. Moiraine had het over de verbrande gebouwen rond het plein. Alles was in orde, hielden ze vol en ze staarden langs alles wat ze niet wilden zien.

Een dikke man sprak met een lege hartelijkheid, maar zijn wangen trilden bij ieder geluid achter hem. Met een grijns die steeds weggleed, beweerde hij dat een omgevallen lamp een brand had veroorzaakt die door de wind was aangewakkerd voor ze iets hadden kunnen doen. Een blik op het plein liet Nynaeve zien dat geen enkele uitgebrande puinhoop naast een andere stond.

Er waren bijna evenveel verschillende verhalen als er mensen waren. Enkele vrouwen begonnen samenzweerderig zachter te praten. De waarheid was dat een man ergens in de stad met de Ene Kracht had gespeeld. Het werd tijd de Aes Sedai erbij te halen, iets wat volgens hen allang had moeten gebeuren, en het maakte niet uit wat de mannen over Tar Valon zeiden. Laat de Rode Ajah de zaak maar rechtzetten, zo zeiden ze.

Een man beweerde dat het een aanval van bandieten was geweest en weer een ander had het over een oproer van Duistervrienden. ‘Die mensen die de valse Draak gaan zien, weet u,’ zei hij op vertrouwelijke en zachte toon. ‘De stad is er vol van. Allemaal Duistervrienden.’

Weer anderen hadden het over moeilijkheden – ze waren heel vaag over het soort – die met een boot de rivier waren afgezakt.

‘We hebben het ze ingepeperd,’ mompelde een man met een spits gezicht die zenuwachtig in zijn handen stond te wrijven. ‘Laten ze dat soort dingen maar in de Grenslanden houden, waar ze thuishoren. We zijn naar de haven getrokken en...’ Hij zweeg zo plotseling dat zijn mond letterlijk dichtklapte. Zonder verder iets te zeggen, schoot hij weg, omkijkend alsof hij dacht dat ze hem zouden achtervolgen. De boot was ontkomen – dat werd uiteindelijk, uit opmerkingen van anderen, wel duidelijk. Men had de meertouwen gekapt terwijl er een menigte de kade opstroomde, en dat was gisteren gebeurd. Nynaeve vroeg zich af of Egwene en de jongens aan boord waren. Een vrouw zei dat er een speelman aan boord was geweest. Als dat Thom Merrilin was geweest...

Nynaeve probeerde haar theorie uit op Moiraine, dat de Emondsvelders misschien met de boot waren gevlucht. De Aes Sedai luisterde, geduldig knikkend tot ze was uitgesproken.

‘Misschien,’ zei Moiraine, maar het klonk weifelend.

Op het plein stond nog een herberg overeind. De gelagkamer was in tweeën gedeeld door een schouderhoge muur. Moiraine bleef staan toen ze de herberg binnenging en tastte met haar hand de lucht af. Ze glimlachte om wat het ook was dat ze voelde, maar ze wilde er op dat moment niets over zeggen.

Ze aten hun maal in een stilte die niet alleen aan hun tafel te vinden was, maar in de hele gelagkamer hing. De paar mensen die er aten, hielden zich alleen bezig met hun eigen bord en gedachten. De herbergier die met een hoekje van zijn voorschoot de tafels afveegde, stond voortdurend in zichzelf te mompelen, maar zo zacht dat niemand kon verstaan wat hij zei. Nynaeve dacht dat het niet prettig slapen zou zijn in de herberg; zelfs de lucht was zwaar van angst.

Toen ze klaar waren en hun met de laatste broodkorstjes schoongeveegde borden wegschoven, verscheen er in de deuropening een soldaat in een rood uniform. Nynaeve dacht dat hij er schitterend uitzag, met zijn piekhelm en zijn gepoetste borstkuras, totdat hij zich vlak achter de deur posteerde, met een hand op het gevest van zijn zwaard en een ferme blik op zijn gezicht, terwijl hij met een vinger zijn te strakke kraag war losser probeerde te maken. Het deed haar denken aan Gen Buin die zich probeerde te gedragen als een dorpsraadsman.

Lan wierp een enkele blik op hem en snoof: ‘Burgerwacht. Nutteloos.’

De soldaat keek het vertrek rond en zijn ogen bleven op hen rusten. Hij aarzelde, haalde toen diep adem en stampte naar hen toe om te vragen – alles gehaast – wie zij waren, wat voor zaken zij in Wittebrug te doen hadden en hoe lang ze van plan waren te blijven.

‘We gaan weg zodra ik mijn bier opheb,’ zei Lan. Hij nam nog een langzame teug voor hij opkeek naar de soldaat. ‘Het Licht verlichte de goede koningin Morgase.’

De man deed zijn mond open, keek toen goed in Lans ogen en stapte achteruit. Hij beheerste zich meteen weer, met een blik op Moiraine en Nynaeve. Heel even dacht Nynaeve dat hij iets stoms ging doen om geen lafaard te lijken in de ogen van twee vrouwen. Zij had de ervaring dat mannen vaak zo idioot deden. Maar er was te veel gebeurd in Wittebrug; er was te veel onzekerheid losgekomen uit de diepste diepten van de menselijke geest. De burgerwacht keek weer naar Lan en bedacht zich. De harde lijnen van Lans gezicht toonden niets, maar erin stonden wel twee koude blauwe ogen. Zo koud.

De burgerwacht besloot kort te knikken. ‘Zorg dat jullie dat doen. Er zijn deze dagen te veel vreemdelingen in de buurt die de vrede van de koningin verstoren.’ Hij draaide zich op zijn hakken om, stampte weer naar buiten en oefende ondertussen zijn strenge blik. Geen van de stadsmensen leek iets te merken.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg Nynaeve aan de zwaardhand. De stemming in het vertrek maakte dat ze zachtjes praatte, maar ze zorgde er wel voor dat haar stem vastberaden klonk. ‘De boot achterna?’ Lan keek Moiraine aan, die kort haar hoofd schudde en zei: ‘Eerst moet ik diegene vinden die ik zeker kan vinden en momenteel is hij ergens ten noorden van ons. Ik denk in ieder geval niet dat de andere twee met de boot meegingen.’ Een klein tevreden glimlachje speelde rond haar lippen. ‘Ze zijn in dit vertrek geweest, mogelijk gisteren, op zijn hoogst eergisteren. Bang, maar ze zijn levend weggekomen. Het spoor zou zonder dat sterke gevoel niet zo lang zijn blijven hangen.’

‘Welke twee?’ Nynaeve leunde gespannen over de tafel. ‘Weet u wie?’

De Aes Sedai schudde ontkennend haar hoofd, een haast onmerkbare beweging, en Nynaeve ging weer rechtzitten. ‘Als zij op zijn hoogst maar twee dagen voorliggen, waarom gaan we dan niet eerst achter hen aan?’

‘Ik weet dat ze hier zijn geweest,’ zei Moiraine met die onverdraaglijk kalme stem, ‘maar behalve dat kan ik niet zeggen in welke richting ze gingen. Ik vertrouw erop dat ze slim genoeg waren om naar het oosten te gaan, naar Caemlin, maar ik weet het niet zeker en zonder hun munten zal ik pas weten waar ze zijn als ik ze op een halve span of zo genaderd ben. In twee dagen kunnen ze twintig span hebben afgelegd, of veertig, in welke richting ze door vrees gedreven ook gegaan zijn, en bang waren ze zeker toen ze hier weggingen.’

1 ... 116 117 118 119 120 121 122 123 124 ... 223
Перейти на страницу:
0
Сюжет
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Атмосфера
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Главный герой
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
0
Общее впечатление
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • 7
  • 8
  • 9
  • 10
Итоговая оценка: 0.0 из 10 (голосов: 0 / История оценок)