Перейти на страницу:
Vaag lag het land in ochtendglans,
De bergen, brokken kruim,
Verzonken achter golvendans
En achter ’t waaiend schuim.
Amroth keek naar ’t vervagend strand,
Laag achter ’t rukkend roer
En vloekte ’t schip dat ver van ’t land
En Nimrodel wegvoer.
Een elfenkoning van weleer,
Een heer van dal en boom,
Toen goud straalde van takken teer
In Lothlórien schoon.
Men zag hem springen, met een zwiep,
Als een pijl in de lucht,
En duiken in het water diep,
Als een meeuw in zijn vlucht.
De wind greep in zijn haren rond,
Schuim schitterde in zijn baan,
Van ver zag men hem, sterk en blond,
Zwemmen gelijk een zwaan.
Maar uit het westen hoorde men
Nooit iets, en in dit oord
Heeft ’t elfenvolk van Lórien
Niets meer van hem gehoord.
Перейти на страницу: